Rond 1300 treffen we in Leiden smeden, timmerlieden, metselaars, leidekkers en steenhouwers aan. Kortom mensen, in staat huizen, gebouwen te bouwen. Ter voorziening in dranken en spijzen zijn er de bakkers, vleeshouwers en bierbrouwers terwijl kleermakers, schoen- en klompenmakers, wevers, ververs, volders en leerbewerkers werkzaam zijn ter vervaardiging van kleding voor de burgers. Het wordt als een vanzelfsprekendheid beschouwd dat collegae zich verenigden in gilden, maar als we een kijkje nemen in de Leidse archieven komen we een aantal verbodsbepalingen tegen. In 1313 verbood graaf Willem III dat er gilden werden opgericht.
Leiden kent al vrij vroeg lakennijverheid, al blijft landbouw een belangrijke plaats innemen. Wanneer de handel echter toeneemt in het Rijnland, beginnen de graven het gebruik van de Hollandse binnenvaart te stimuleren. De Hollandse binnenvaart was een waterweg die Delft en Gouda met Haarlem verbond. Begrijpelijk is dat deze waterweg een belangrijke rol heeft gespeeld bij de opkomst van Leiden en die van andere Hollandse steden. Een andere ontwikkeling die hierbij van belang is, is de overgang van landbouw naar veeteelt omdat de grond in het Rijnland nogal drassig bleek. Hierdoor ontstond een overschot aan arbeidskrachten (veeteelt is immers minder arbeidsintensief dan landbouw) en ging men zich toeleggen op bijv. visserij of vrachtvaart of vestigde men zich als handwerksman in een stad. Ook Leiden heeft de gevolgen van deze ontwikkelingen ondervonden. Kooplui en handwerkslui vestigden zich vooral nabij de burcht en het grafelijk bezit.
Vroege Leyenaars. Op basis van het vroege bestaan van zgn. mansi (Latijn voor hoeven) kunnen we concluderen dat de ‘autochtone bevolking’ uit boeren bestond. Het overplaatsen van het grafelijk hof naar Leiden betekende de komst van de adel. In ruimer opzicht kunnen we spreken van patriciers. De stand van onvrije dienstmannen kunnen we in een adem met de adelstand noemen aangezien deze twee groepen niet los te zien zijn van elkaar. De komst van handwerks- en ambachtslieden naar Leiden kunnen we niet los zien van de ontwikkelingen in het gehele graafschap Holland; omstreeks 1250 namelijk was de handel en ‘industrie’ in Holland nog van weinig betekenis. Wel kan men spreken van een lakenindustrie van enige betekenis, maar de industrie bepaalde zich alleen tot dat wat nodig was voor eigen gebruik.